KAARSEN

Kaarsen worden tegenwoordig vooral gebruikt om een bepaalde sfeer te scheppen.

!

bamboe kaarsenkristalkaarsenTekstkaarsen

Eeuwen geleden werden al kaarsen gebruikt om warmte en licht te scheppen.
In de graftombe van Toetanchamon zijn kandelaars aangetroffen, maar in de Romeinse tijd werd de kaars overal gebruikt, vet of bijenwas diende als brandstof.
Zo ontstond de Kaarsenmakersgilde waar kaarsenmakers bij aangesloten waren.

De kaarsen werden gemaakt uit dierlijke vetten, plantaardige oliƫn of bijenwas.
Voor het lont gebruikte men gedroogd merg uit struiken als de vlier en ook donzige koningskaars-stengels.
Het lont werd gedoopt in gesmolten talkvet.

Na de uitvinding van de gloeilamp werden kaarsen alleen nog in geval van nood gebruikt.
Tegenwoordig hebben veel mensen nog altijd kaarsen in huis als noodvoorziening.

In de 19e eeuw maakte de kaarsenfabricage een grote ontwikkeling door, die begon met de ontdekking van stearine.
De brandeigenschappen van stearine zijn veel gunstiger en brandt met een heldere vlam, zonder walm.
De stearinekaars heeft daarom de oudere kaarsen vervangen. Stearine is ook geschikt om in vormen gegoten te worden.
Paraffine werd enige jaren later ontdekt. Paraffine heeft een hogere lichtintensiteit dan stearine, maar wordt eerder zacht, waardoor een lange dunne kaars krom kan trekken.

 

Enkele richtlijnen voor het branden van kaarsen:


Houd brandende kaarsen buiten het bereik van kinderen en huisdieren.

Plaats brandende kaarsen minimaal 10 centimeter van elkaar.

Zet een brandende kaars op een onbrandbare ondergrond en uit de buurt van brandbare materialen, zoals gordijnen.

Zet een brandende kaars ook niet op de tocht.

Knip een deel van de pit af wanneer hij te lang wordt. Kaarsen met een te lange pit kunnen gaan walmen en flakkeren.

Laat kaarsen nooit zonder toezicht branden.

Doof de kaars altijd met een kaarsendover.